Gevolgen van voorgestelde Herziening Warmtewet voor WKO-eigenaren

Gevolgen van voorgestelde Herziening Warmtewet voor WKO-eigenaren
EXPERTBIJDRAGE

De Warmtewet beoogt bescherming van zogenaamde ‘gebonden kleinverbruikers’ (zoals consumenten en kleine bedrijven), die voor hun warmtebehoefte geheel afhankelijk zijn van een monopolist, oftewel hun lokale warmteleverancier.

Op grond van de Warmtewet mag een warmteleverancier voor de levering van warmte aan een kleinverbruiker namelijk niet meer dan de door de Autoriteit Consument & Markt (jaarlijks) vastgestelde maximumprijs in rekening brengen. Deze maximumprijs is gebaseerd op de gasreferentie op basis van het zogeheten ‘NMDA-principe’, wat – kort gezegd – betekent dat de prijs die een kleinverbruiker betaalt voor warmte niet meer bedraagt dan de prijs die hij betaald zou hebben ingeval van een gasaansluiting om in zijn warmtebehoefte te voorzien.

Sinds de inwerkingtreding van de Warmtewet op 1 januari 2014 is van verschillende kanten veel kritiek geuit op de uitgangspunten van de wet en bijbehorende regelgeving. Naar aanleiding van een uitgevoerde evaluatie van de Warmtewet, werd in juli 2016 door het ministerie van Economische Zaken een wetsvoorstel tot herziening (‘het wetsvoorstel’) gepubliceerd. In dit wetsvoorstel, dat momenteel ter advisering voor ligt bij de Raad van State, wordt onder meer voorgesteld om de wettelijke definitie van ‘warmte’ te wijzigen en om de levering van koude, als onlosmakelijk onderdeel van de levering van warmte (zoals bij warmte- en koude opslag systemen (WKO’s)), ook onder de reikwijdte van de Warmtewet te laten vallen. Wat betekent dit nu concreet voor WKO-eigenaren?

Wettelijke definitie ‘warmte’

De Warmtewet definieert ‘warmte’ als: ‘warm water of tapwater bestemd voor ruimteverwarming, sanitaire doeleinden en huishoudelijk gebruik’, en ‘levering van warmte’ als: ‘de aflevering van warmte aan verbruikers’. In de praktijk bestond echter de vraag wat er nu precies onder ‘warm water’ diende te worden begrepen. Betreft het water van een specifieke temperatuur (bijvoorbeeld temperaturen die bij standaard stadsverwarming voorkomen (90 graden Celsius water), of maakt het niet uit welke temperatuur het water heeft (zoals bij warmtebronnen met een lage temperatuur in combinatie met warmtepompen)?
Over de uitleg van de wettelijke definitie ‘warmte’ heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) op 22 februari 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:30) uitspraak gedaan. In deze zaak werden woningen in een woonwijk verwarmd en gekoeld door een WKO systeem, in combinatie met warmtepompen. Het grondwater dat aan de bewoners werd geleverd, had een gemiddelde temperatuur van 11,95 graden Celsius en werd gebruikt om de woningen en de warmwaterboilers voor het tapwater te verwarmen. Aan de orde was toen de vraag of de levering van het lauwe grondwater (waaraan middels een warmtepomp warmte werd onttrokken) als levering van ‘warmte’ in de zin van de Warmtewet moest worden aangemerkt.

Het CBb oordeelde dat er inderdaad sprake was van levering van warmte en baseerde zich daarbij op de parlementaire geschiedenis van de Warmtewet, waaruit bleek dat de wetgever bij de formulering van de wettelijke definitie van ‘warmte’ uitdrukkelijk heeft bedoeld om alle vormen van warmte, dus ook lage temperatuurwarmte, onder de Warmtewet te laten vallen. De geschiktheid voor huishoudelijke doeleinden moet volgens het CBb vanuit het perspectief van de verbruikers worden bekeken: de temperatuur van de geleverde warmte moet hoog genoeg zijn om in hun warmtebehoefte te voorzien. Deze uitspraak heeft ertoe geleid dat ‘warmte’ in de zin van de Warmtewet dus ook lage temperatuurwarmte omvat en, belangrijker, dat mitsdien leveranciers van dergelijke lage temperatuurwarmte ook als warmteleveranciers hebben te gelden in de zin van de Warmtewet.

Herziening Warmtewet

In navolging van voormelde uitspraak van het CBb, is in het wetsvoorstel een nieuwe definitie van ‘warmte’ opgenomen: ‘water dat wordt geleverd ten behoeve van ruimteverwarming of verwarming van tapwater’. Hiermee wordt verduidelijkt dat de Warmtewet betrekking heeft op de levering van de thermische energie van water met als doel ruimteverwarming of de verwarming van tapwater. De temperatuur van het water dat wordt geleverd is daarbij niet relevant; het kan dus water van allerlei temperatuurniveaus betreffen (zoals lauw water).

Tevens is in het wetsvoorstel opgenomen dat de levering van koude – wat in principe niet door de Warmtewet wordt gereguleerd en waarvoor dan ook geen maximumprijs geldt – wél onder de reikwijdte van de Warmtewet zal vallen, indien de levering van koude noodzakelijk is om een systeem voor warmtelevering goed te laten functioneren én onlosmakelijk is verbonden met de levering van warmte (zoals bij WKO’s). De toelichting hierop vermeldt dat ook in deze gevallen er sprake is van gebonden verbruikers, die onder de Warmtewet moeten worden beschermd.

Zowel voor de levering van lage temperatuurwarmte als voor de levering van koude, als onlosmakelijk onderdeel van de levering van warmte, zullen blijkens het wetsvoorstel aparte maximumtarieven worden vastgesteld, die in lagere regelgeving verder zullen worden uitgewerkt.

Advisering

Zoals gezegd, ligt het wetsvoorstel nu ter advisering voor ligt bij de Raad van State. Het kan dus zo zijn dat naar aanleiding van het advies van de Raad de inhoud van het wetsvoorstel nog wordt aangepast. WKO-eigenaren dienen zich er evenwel bewust van te zijn dat het wetsvoorstel (zoals dat nu luidt) met zich brengt dat de levering van koude via een WKO zeer waarschijnlijk ook onder de reikwijdte van de Warmtewet zal gaan vallen en dat zij gebonden zullen zijn aan verplichtingen ingevolge de Warmtewet, zoals het in rekening brengen van een maximumprijs voor de levering van koude.

 

Tarieven onder de Warmtewet:

De Autoriteit Consument & Markt (ACM) stelt elk jaar vóór 1 januari de volgende tarieven vast:
· de maximumprijs voor de levering van warmte, bestaande uit een vast bedrag en een bedrag per verbruikte gigajoule;
· een vast tarief voor de meting van het warmteverbruik; en
· de eenmalige aansluitbijdrage voor een nieuwe aansluiting op een bestaand warmtenet.

Warmteleveranciers (waaronder wko-exploitantanten die zich bezig houden met warmtelevering in de zin van de Warmtewet) mogen dus geen bedragen die hoger zijn dan deze maximumtarieven in rekening brengen aan verbruikers. Het in rekening brengen van een lager bedrag is overigens wel toegestaan.

Blijkens de besluiten van de ACM (via acm.nl) zijn de vastgestelde maximumtarieven voor 2016 en 2017 als volgt:

Prijs 2016 (€ incl. BTW) 2017 (€ incl. BTW)
Maximumprijs 276,13 + 22,66 per GJ 299,16 + 22,69 per GJ
Meettarief 24,97 25,02
Eenmalige aansluitbijdrage t/m 25 m 962,95 1011,73
Eenmalige aansluitbijdrage p/m  langer dan 25 m 33,87 32,27

 

Een warmteleverancier mag daarnaast voor het ter beschikking stellen van een warmtewisselaar (d.w.z. een afleverset zonder warmtemeter) de redelijke kosten daarvan in rekening brengen. Deze kosten worden niet door ACM vastgesteld en moeten ‘redelijk’ zijn. Indien er tussen de verbruiker en de warmteleverancier discussie bestaat over de (on)redelijkheid van de in rekening gebrachte kosten, kan de kwestie worden voorgelegd aan de geschillencommissie. Kosten voor extra diensten (waarbij de verbruiker duidelijk de keuze heeft om er wel of geen gebruik van te maken) mogen alleen in rekening worden gebracht, voorzover deze diensten niet onder de wettelijke taak van de warmteleverancier vallen.

Door Bird & Bird

Over de auteur

Deborah Nizamoeddin is advocaat bij Bird & Bird LLP en maakt deel uit van het corporate energy team. Zij is gespecialiseerd in het energierecht en het ondernemingsrecht. Deborah heeft ruime ervaring in het adviseren over energie-gerelateerde M & A transacties, en in het opstellen en onderhandelen van commerciële energiecontracten. Deborah is een lid van de Nederlandse Vereniging voor Energierecht (NeVER).

Bird & Bird LLP is een internationaal advocatenkantoor met meer dan 1200 juristen in 28 kantoren in Europa, het Midden-Oosten, Azië en Australië en hechte relaties met kantoren in andere delen van de wereld. Een sterke focus ligt op high-tech en gereguleerde sectoren, zoals Technology & Communications, Life Sciences, Media en Energy & Utilities.