Cramer: “Sluitend maken kringlopen belangrijkste uitdaging binnen verduurzaming steden”

Cramer: “Sluitend maken kringlopen belangrijkste uitdaging binnen verduurzaming steden”

Jacqueline Cramer (1951), voormalig minister van VROM, heeft als directeur van het Utrecht Centrum voor Aarde en Duurzaamheid (UCAD) en als hoogleraar duurzaam innoveren aan de Universiteit van Utrecht een nieuwe missie. Het Utrecht Centrum voor Aarde en Duurzaamheid wil kennis – en marktpartijen effectiever gebruik laten maken van de innovatiekracht binnen de regio Utrecht en wil een knooppunt worden voor onderzoek, ontwikkeling en toepassing van kennis op het gebied van duurzaamheid in Nederland en daarbuiten. Energievastgoed spreekt tijdens de studiemiddag Vastgoed Energie 2011 haar over de ambities van het UCAD.

Wat wil u bereiken met het UCAD?
Cramer: “Allereerst willen we de kennis bundelen van de in regio Utrecht aanwezige kennisinstituten zoals TNO, Deltares, KNMI, KWR, Universiteit van Utrecht, Hogeschool van Utrecht, Ecofys, KEMA en ECN. Dagelijks zijn zo’n 1500 onderzoekers bezig met water, energie, klimaat en grondstoffengebruik. Een groot kernthema is de duurzame urbane delta.  Technologen, natuurwetenschappers, economen, planologen, geografen en juristen werken samen om de centrale vraag ‘hoe kun je tot verduurzaming van steden komen?’ te beantwoorden. (…) Naast een bindende rol hebben we ook een sturende rol: ‘waarop richten we ons gezamenlijk?’ en hoe kunnen we vraaggericht met onze kennis de markt faciliteren?”. Het UCAD wil ook een kennisloket zijn voor het MKB en tegelijkertijd samenwerken met grote bedrijven en andere marktpartijen.

U heeft per jaar enkele projecten waar u zich op richt?
Ja, we richten ons vooral op ‘proeftuinen van vernieuwing’. Verduurzaming van steden, wijken, bedrijventerreinen etc.. Traditioneel nam elke eigenaar van een gebouw zelf initiatieven om aan bijvoorbeeld energiebesparing te doen. De sprongsgewijze vernieuwingen zijn te zetten als je dit blok – en wijkgericht aan gaat pakken. Dan moet je denken aan bijvoorbeeld afwateringssystemen die uitstijgen boven het gebouwniveau en die vele malen duurzamer zijn dan de huidige systemen”.

Wat zijn tot nu uw ervaringen in de praktijk?
“We merken dat alle partijen het van groot belang vinden om met elkaar samen te werken. Voor de betrokken partijen is samenwerking interessant omdat ze nu voor specifieke kennis de juiste mensen kunnen vinden bij andere partijen. Dat is een ommekeer. In plaats van dat er een onderzoek wordt gedaan om te kijken of dat bruikbaar is, komt het nu in nauwe interactie tot stand (…) De relatief overzichtelijke schaal van Utrecht helpt zeker. We kunnen gemakkelijk verbinding leggen met bestuurders en de relatief kleine schaal maakt het tot een mooie proeftuin, in onderzoeks – en praktijktermen”.

Projecten
Het UCAD is binnen het Utrechtse onder meer betrokken bij de verduurzaming van het Nieuwe Hoog Catherijne in het stationsgebied.  UCAD neemt ook deel aan het CATO-2 project. Het CATO-2 programma (CO2 Afvang, Transport en Opslag) is een kennisnetwerk. Het doel van het programma is te onderzoek of CO2 Afvang en Opslag een bijdrage kan leveren in het Nederlandse duurzame energiesysteem.

Wat is naast krachtenbundeling de voornaamste uitdaging?
“De integrale aanpak van duurzaamheid is ons speerpunt. Dat doe je door samen te werken, ketens en clusters te vormen. Maar ook door nieuwe technologische stappen te zetten, die op wijkniveau zijn in te zetten. Dan denk ik vooral aan het sluitend maken van de energie –, water – en grondstofkringlopen in de stad. Dat lukt je niet op gebouwniveau. Die vernieuwing zien we deels ontstaan via bottom-up initiatieven”. Het UCAD zet ook in op een verdergaande balans tussen natuur en stad, bijvoorbeeld aan een ‘Duurzame Uithof’. De nieuwe Uithof moet ’energie – en waterneutraal worden met geen nadelige invloed op zijn omgeving en waar klimaatadaptieve ingrepen het landschapsbeeld verrijken en grondstoffen optimaal in de kringloop worden gehouden’.

Kan Nederland een voorbeeld zijn voor bijvoorbeeld opkomende landen als China, India en Brazilië?
“We hebben natuurlijk als Nederland al een hele economische en bevolkingsgroei meegemaakt. Mensen uit het buitenland die ik spreek zijn positief over hoe wij hier de zaken hebben georganiseerd. De ruimtelijke ordening is redelijk in de hand gehouden, waardoor er nog genoeg open ruimtes zijn om te recreëren en het aangenaam toeven is.
Het water hebben we weten te beheersen en daar zijn we bekend om. Door onze krachtenbundeling kunnen we aan het buitenland laten zien dat we hier verder aan het vernieuwen zijn. Als je bijvoorbeeld een succesvolle aanpak van de kringloopsluiting hebt, kun je deze als een mooi kennisproduct aan het buitenland aanbieden. Dat is voor de markt ook interessant, want zodra het product wordt opgepakt, worden Nederlandse bedrijven gevraagd om het te implementeren, zoals ingenieursbureaus, baggeraars etc”.

Heeft ze verschuiving tegenover het onderwerp duurzaamheid ervaren?
“Absoluut. Als je kijkt naar midden jaren tachtig, toen begon het bedrijfsleven stilletjes aan verantwoordelijkheid te nemen. De interne milieuprogramma’s waren destijds echt een eerste stap. Als je kijkt wie er nu betrokken is en waar het over gaat, dan is dat een ‘mega’ verschil. De houding van het bedrijfsleven is ook veranderd. Heel veel bedrijven praten niet meer over: ‘moet dat nu allemaal?’ Maar ze zeggen: ‘we willen, maar hoe doen we dat eigenlijk precies?’ Hoe ver gaan we? Wat is er mogelijk? Er is een heel andere houding ontstaan tegenover het duurzaamheidsvraagstuk”.

Hoe kijkt u aan tegen de rol van overheid?
“We zien de overheid vooral trendbevestigend en volgend. Het milieuonderwerp hebben we binnen Nederland erg geprofessionaliseerd. Je moet er veel van weten, het is complex en een ver van ieders bed show. Je merkt nog steeds een afstand tussen de professionals en de beleving van de burger. Je zal er toch voor moeten zorgen dat mensen het gevoel hebben dat het iets met hen te maken heeft. Alles wat direct rondom de woning gebeurt, is iets waar je mensen meer bij kunt betrekken, omdat de woning hun eigen paleisje is.  Dat je burgers meer moet betrekken, is een belangrijke les. Daar zal je manieren voor moeten vinden en daar zijn we ook nog zoekende in, om daar de juiste oplossingen voor te vinden”.